Jaarstukken 2020

Opvolging aanbevelingen Rekenkamercommissie

Indeze bijlage rapporteert het college over de opvolging van de aanbevelingen uit de rapporten van de Rekenkamercommissie, van 2018-2020.

RV 18.0088 Aanbevelingen Rapport Rekenkamercommissie ‘Toegang tot jeugdzorg Leiden’

Besluitpunt

Raad

College

Toelichting op voortgang

I. in te stemmen met de conclusies van het rapport van de Rekenkamercommissie ‘Toegang tot jeugdzorg Leiden’;

x

 

RV 18.0088 is vastgesteld door de raad op 13 november 2018.

II. De volgende aanbevelingen uit het rapport van de Rekenkamercommissie ‘Toegang tot jeugdzorg Leiden’ over te nemen:

x

 

Aanbevelingen zijn door de raad overgenomen d.m.v. het raadsbesluit.

  1. Aanbeveling 1: Nader onderzoek aanbod jeugdhulp

Het doen van nader onderzoek om te bepalen of het beschikbare aanbod jeugdhulp daadwerkelijk te smal is, tot welke problematiek de wachtlijsten leiden en om te analyseren welke zorgvormen worden gemist. In het bijzonder zou dan moeten worden gekeken naar hoe de verwijzers (JGT’s, jeugdartsen, huisartsen, jeugdbeschermers enz.) de aansluiting op het huidige aanbod ervaren en wat zij missen. Op basis van dit nadere onderzoek kan gekeken worden wat effectieve maatregelen zouden kunnen zijn om deze knelpunten op te lossen of te beperken;

Reactie college: Het college herkent dit knelpunt. In de praktijk ervaren verwijzers en andere bestuurlijke partners (bv. Het onderwijs), onder andere vanwege wachttijden niet altijd dat de hulp die nodig is beschikbaar is. Voor niet ingekocht aanbod of stagnering in de hulpverlening zijn opschalingsmogelijkheden zoals het expertteam en opschaling naar de TWO (tijdelijke werkorganisatie jeugdhulp) om gezamenlijk tot een meest passende oplossing te komen. Momenteel wordt vanuit het regionale beleidsteam Jeugdhulp(het regionaal beleidsteam is een ambtelijke afvaardiging van de regiogemeenten die zich bezighouden met beleidsontwikkeling jeugdhulp. Zij adviseren het PHO Maatschappij op het onderdeel Jeugd en hebben geen besluitvormende bevoegdheden)als uitwerking van het Sturingsplan onderzoek gedaan naar het zorglandschap jeugdhulp. Dit onderzoek word tuitgevoerd door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en zal de gemeente:1.inzicht geven in de verschillen in jeugdhulpgebruik tussen gemeenten in de regio Holland Rijnland;2.inzicht geven waar hoger jeugdhulpgebruik in vergelijking met het landelijke gemiddelde mee samenhangt (verklarende factoren);3.aanbevelingen ontvangen over hoe de gemeenten (lokaal) kunnen sturen op hetjeugdhulpgebruik;4.een overzicht ontvangen van het huidige jeugdhulpaanbod in relatie tot verwachte problematiek. Het regionale beleidsteam jeugdhulp levert de resultaten van het onderzoek eind oktober op. Het college neemt deze uitkomsten mee in de doorontwikkeling van de jeugdhulp. Afhankelijk van de uitkomsten beoordeelt het college of aanvullend onderzoek nodig is. Naast dit onderzoek treft het college de volgende maatregelen:· in 2019wordt gestart met een pilot praktijkondersteuner huisarts (POH) om de samenwerking tussen de huisarts, het JGT en gecontracteerde jeugdhulpaanbieders te versterken.· als onderdeel van de doorontwikkeling jeugdhulp wordt verkend hoe het college in de nabije toekomst (in aanloop naar 2020, dan lopen de huidige contracten jeugdhulp af en kan het college nieuwe afsluiten) aan de voorkant kan stimuleren dat aanbieders samenwerken en vanuit de vraag hun aanbod gaan organiseren. Hiermee wordt versnippering van jeugdhulp beperkten wordt in gesprek gegaan over het vraagstuk passende hulp. Ook is het college voornemensom hieraan een passend bekostigingsmodel te koppelen zodat ook in de financiering een prikkel ontstaat om de vraag van de cliënt nog meer centraal te stellen. Ook de verbinding met aanpalende terreinen zoals Wmo, Participatie, zorgverzekeringswet, (passend) onderwijs, huisartsen, preventie ( waaronder jgz)huisvestingetc. wordt hierin meegenomen.· er zijn binnen de gemeente diverse ontwikkelingen op het terrein van zorg en veiligheid, zoals de aanpak in de Slaaghwijk en Jacques Urlusplantsoen en stadsbrede jongerenaanpak in ontwikkeling. De aansluitingen met de wijkteams en JGT’s, spelen daarin een belangrijke rol. Het college zal toezien op een verbinding van deze ontwikkelingen.

 

x

Aanbod en samenwerking
De resultaten en aanbevelingen van het genoemde onderzoek naar (de oorzaken van het) jeugdhulpgebruik in Holland Rijnland, dat in 2018 is opgeleverd door het NJi, zijn meegenomen in de visie- en programmadocumenten over de jeugdhulp die in 2019 en 2020 regionaal zijn opgesteld en die momenteel worden uitgevoerd middels de implementatie van een nieuwe Toegangsaanbieder en de doorontwikkeling naar een gesegmenteerde inkoopstructuur voor specialistische aanbod. ‘Normaliseren’, ‘het kind centraal’ en ‘Hulp dichtbij’ zijn hierbij centrale uitgangspunten voor de Leidse regio, waarmee ook weer tegemoet wordt gekomen aan de aanbevelingen vanuit het onderzoek van de Rekenkamercommissie.

Pilot POH-J
De pilot met de praktijkondersteuner huisarts is uitgevoerd en in mei 2021 afgesloten. De rapportage hiervan wordt in juni a.s. aangeboden aan de colleges en besproken in de regio. In Leiden zal met inachtneming van de resultaten van de pilot de POH-J-functie samen met de nieuwe Jeugdteams verder worden uitgerold; dit is ook opgenomen in hun opdracht.

Samenwerking t.b.v. maatwerk
In de nieuwe opdracht aan de Toegang die in 2019 door de Leidse regio is vastgesteld is opgenomen dat de Jeugdteams meer procesregie gaan voeren. Hier is aanvullend budget voor beschikbaar gesteld. Dit houdt in dat zij, meer dan bij de JGT’s, de verbindende factor gaan zijn tussen algemene voorzieningen, eigen mogelijkheden en specialistische aanbod om zo tot een passend en zo ‘normaal’ mogelijk maatwerkaanbod te komen. In het Portefeuillehoudersoverleg Maatschappij Holland Rijnland van 19 mei jl. zijn tevens de contracten die horen bij de nieuwe, gesegmenteerde inkoopstructuur voor specialistisch aanbod definitief vastgesteld. De gemeenten hebben hierin de eerder genoemde uitgangspunten (normaliseren, het kind centraal en hulp dichtbij organiseren) uitgewerkt in concrete afspraken met aanbieders. Een goed voorbeeld hiervan is het oprichten van een Centrale Intake voor het verblijfsaanbod. Dit betreft een samenwerkingsverband tussen strategische aanbieders uit het verblijfssegment en werkt samen met de gemeentelijke toegang en andere verwijzers om een cliënt snel op de juiste plek te krijgen en maatwerkaanbod te realiseren wanneer dit voor een bepaalde hulpvraag nog niet bestaat. Ook zijn de lijnen met het aanbod vanuit andere inkoopsegment (ambulant, behandeling, etc.) kort zodat deze laagdrempelig bij het aanbod kunnen worden betrokken indien nodig.

Lokaal
De genoemde jongerenaanpak in de Slaaghwijk en het Jacques Urlusplantsoen is zoals beschreven uitgebreid naar een Stadsbrede JongerenAanpak (SJA). Na het starten van de Sterke Sociale Basis (SSB) in Leiden is de samenwerking binnen de SJA met Jongerenwerk opgebouwd met de nieuwe aanbieder SOL. De constructie met de SSB stelt de gemeente in staat om effectiever te sturen op ketensamenwerking, onder andere met wijkpartners JGT en SWT. Ook in de opdracht aan de nieuwe Jeugdteams in de Leidse regio speelt de samenwerking met voorveldpartijen zoals de SSB een belangrijke rol.

  • Aanbeveling 2: Zorg voor een gestructureerde informatiestroom

De informatiestroom te splitsen in twee sporen; een spoor gericht op besluitvorming en een spoor gericht op het onderling delen van informatie. Daarbij wordt bekeken of het besluitvormingstraject kan aansluiten bij de al bestaande jaarlijkse cyclus. Door losse (zelfstandig leesbare!) informatie aan te leveren voor de besluitvorming (financiën/doelen/proces) wordt een logisch moment gecreëerd om de informatie te duiden en na te denken over wat de raad nodig heeft om te kunnen sturen;

 

x

Het college neemt de adviezen over en is hierover inmiddels (op 9 oktober 2018) met de raad in gesprek gegaan.

  • Aanbeveling 3a: Versterk netwerksamenwerking door het stellen van proceskaders

De sturing op de toegang tot jeugdhulp te vergroten, door het creëren van randvoorwaarden voor netwerksamenwerking. Daarbij worden de inhoudelijke kaders niet aangescherpt op basis van de knelpunten, bijvoorbeeld door te bepalen wie de regie heeft op 1gezin1plan maar dit over te laten aan het veld: door professionals met elkaar afspraken te laten maken. Dit kan door het (laten) organiseren van de dialoog tussen organisaties in de keten en budget ter beschikking te stellen om samenwerking met organisaties te verbeteren die geen directe financieringsrelatie hebben met de gemeente.

Reactie college:

Het college staat achter de visie Hart voor de Jeugd. Echter herkent het college zich in het feit dat de operationalisatie van de visie en de vastgestelde kaders jeugdhulp ruim en niet scherp zijn, en het daarmee voor de raad lastiger is om haar controlerende taak te vervullen.

De Rekenkamercommissie beveelt aan om de sturing op de toegang tot jeugdhulp te vergroten, door het creëren van randvoorwaarden voor netwerksamenwerking. Het college neemt deze aanbeveling mee en is hier in de aanloop naar het koersdocument (op 9 oktober 2018) met u over in gesprek gegaan. In het koersdocument zal het college concrete voorstellen doen voor de sturingsmogelijkheid van de raad. Hierbij betrekken we ook de aanbevelingen van de Kwaliteitscommissie van de monitor sociaal domein.

 

x

Het genoemde Koersdocument is gedurende 2019 en 2020 nader uitgewerkt in programmadocumenten op Leidse regioniveau met als titel ‘Samen Sterk voor de Toekomst van Jeugd(hulp)’, die ook aan de raden zijn voorgelegd. In de context van afkadering zijn hierbij met name de eerder genoemde nieuwe opdracht aan de Toegang en de nieuwe contracten met gespecialiseerde aanbieders hierbij relevant. Zo wordt vanaf 1 juli 2021 van de toegangsteams verwacht dat zij meer procesregie gaan voeren in complexe casuïstiek, zodat meer gestuurd wordt op een brede en kritische blik op het aanbod dat aan een jeugdige wordt gedaan, zodat ook voorveldpartijen in beeld blijven en vaker worden betrokken.
Vanuit de inkoop van specialistisch aanbod zijn daarnaast nadere kaders vastgesteld. Zo is de inzet van ambulante begeleiding gemaximeerd en gaat per 2022 een maximale trajectduur gelden voor behandeling met verblijf. De gemeente faciliteert tijdens ontwikkeltafels het gesprek tussen aanbieders over deze onderwerpen, zodat zij elkaar kunnen vinden en inspireren.

  • Aanbeveling 3b1:

De samenwerking en afstemming met huisartsen en de rest van het veld te intensiveren en hier budget beschikbaar voor te stellen.

 

x

In 2019 is gestart met een pilot praktijkondersteuner

huisarts (POH) om de samenwerking tussen de huisarts, het JGT, JGZ en gecontracteerde jeugdhulpaanbieders te versterken. Hiervoor is budget beschikbaar gesteld.

Ook zijn voor de nieuwe opdracht aan de nieuwe Jeugdteams in de Leidse regio structureel extra middelen beschikbaar gesteld om de POH-J-functie bij en met huisartsen goed in te richten.

  • Aanbeveling 3b2:

In het beleidsakkoord wordt gesteld dat de huisartsen meer kunnen samenwerken met JGT’s en vaker praktijkondersteuners voor jeugd kunnen inzetten. Dit om verwijzing naar dure zorg te beperken. Uit het onderzoek blijkt dat huisartsen ook wel eens ingezet worden als ‘administratieve verwijzer’ door bijvoorbeeld scholen, een rol die wellicht weinig toegevoegde waarde heeft. Deze route geeft werkdruk voor de huisartsen, en kan wellicht anders opgelost worden. Aanbevolen wordt om dit in de samenwerking te organiseren.

Reactie college:

De huisarts valt niet onder de aansturing van de gemeente en is zelf verantwoordelijk voor zijn inzet, ook in relatie tot het onderwijs. Het college deelt wel de mening dat de inzet van de huisarts als ‘administratieve verwijzer’ door onder andere scholen weinig toegevoegde waarde heeft. Het college neemt de aanbeveling van de Rekenkamercommissie over door ook met het onderwijs in gesprek te gaan bij het opzetten van de pilot POH.

 

x

De afgelopen jaren is door de gemeente in de samenwerking met onderwijspartijen en de JGT’s gestuurd op vaste contactpersonen als eerste aanspreekpunt vanuit het JGT binnen het onderwijs, ook om te voorkomen dat huisartsen onnodig worden betrokken. Zodoende verschuift de rol van de huisarts als ‘administratief verwijzer’ binnen het onderwijs meer naar de achtergrond. Binnen de pilot POH-J is er tevens op ingezet dat huisartsen eerst naar de POH-J doorverwijzen i.p.v. naar specialistisch aanbod.

  • Aanbeveling 3c:

De noodzaak om de overgang 18-/18+ aan te pakken, is reeds onderkend in het beleidsakkoord. De raad houdt zicht op de uitwerking.

De opvolging van deze aanbeveling ligt primair bij het college. Onderkenning is één, aanpak is twee. Dat ligt bij het college, en de raad houdt daar toezicht op. Dit onderwerp is de afgelopen jaren steeds bij behandeling van Kadernota en Begroting aan de orde geweest (discussiepunt in commissie). Dus in die zin houdt de raad de vinger aan de pols.

 

x

In de aanloop naar de nieuwe opdracht aan de Toegang in de Leidse regio, de doorontwikkeling van de inkoop van specialistisch aanbod en de beoogde doorontwikkeling van de inkoop Wmo in 2023 is een ambtelijke werkgroep opgericht binnen de Leidse regio die toeziet op de borging van dit thema in de inkoopdocumenten. Zo zijn n.a.v. een voorstel van deze werkgroep de bepalingen omtrent de overgang naar volwassenheid in de nieuwe jeugdhulpcontracten aangescherpt en wordt gezorgd dat bij de inkoop van Wmo de nieuwe contracten hierop zullen aansluiten.

  • Aanbeveling 4a:

Zorg voor goede prognoses en structurele dekking van de begroting:

Voor de nieuwe raadsperiode wordt de begroting gebaseerd op het toekomstige beroep op jeugdhulp, dus op basis van goede prognoses.

Reactie college:

De Rekenkamercommissie komt tot de conclusie dat de financiële begroting in het verleden niet is gebaseerd op goede prognoses. Tot en met 2017 zijn de inkomsten vanuit het Rijk voor jeugdhulp gehanteerd als werkbudget. Echter sloot dit niet aan bij de hulpvraag die (historische) veel hoger is in Leiden. Ook kwamen de jeugdhulpmiddelen over vanuit het Rijk met een korting op het oorspronkelijke budget van 15% over drie jaar en is op dit budget een miljoen euro die aanvullend van de provincie ontvangen werd, in mindering gebracht. Daarnaast pakte het toegepaste verdeelmodel door het Rijk ongunstig uit voor de regio Holland Rijnland. Door voorgaande factoren en het vasthouden aan het Rijksbudget als werkbudget is de financiële begroting tot eind 2017 niet gebaseerd op de daadwerkelijke vraag en moest de raad achteraf middelen bij plussen.

Sinds 2018 wordt er reëel begroot, op basis van de verwachtte hulpvraag. In de kaderbrief, die de raad in het voorjaar heeft vastgesteld, is geregeld dat t/m 2021 het college en de raad zich committeren aan reëel begroten.

 

x

Zoals in de wethoudersbrief d.d. 12 februari 2021 is beschreven is er t.a.v. de jeugdhulpprognoses nog steeds ruimte voor verbetering. De hierin genoemde maatregelen op dit punt zijn momenteel in uitvoering. Dat laat onverlet dat de afgelopen jaren bijstelling van de begroting geregeld nodig blijkt. Belangrijk hierbij is dat inmiddels landelijk vast is komen te staan dat gemeenten sinds de decentralisatie van de jeugdhulp in 2015 structureel te weinig middelen hebben ontvangen vanuit het Rijk. Naar aanleiding daarvan ontvangen gemeenten in 2021 incidenteel aanvullende middelen (landelijk 613 mln.). Over structureel aanvullende financiering wordt momenteel door de VNG onderhandeld met het Rijk, dit zal naar verwachting pas door een nieuw kabinet worden opgepakt.

  • Aanbeveling 4b:

In het beleidsakkoord wordt gesteld dat onderzocht wordt hoe de inkoop van de zorg beter kan voor Leiden. De raad kijkt hier scherp op mee, gelet op de aandachtspunten die in het onderzoek geconstateerd zijn.

Reactie college:

Het college sluit zich aan bij deze aanbeveling. De raad ontvangt medio november een koersdocument doorontwikkeling jeugdhulp. Voorafgaand aan de behandeling in de raad is op 9 oktober 2018 met de leden van de commissie OS gesproken

 

x

Met de programmadocumenten ‘Samen Sterk voor de Toekomst van Jeugd(hulp)’ is inmiddels op het niveau van de Leidse Regio invulling gegeven aan deze doorontwikkeling, waarbij ook deze aanbevelingen zijn meegenomen. De gemeenteraden zijn bij iedere stap in dit proces betrokken.

III. Het college te verzoeken bovengenoemde aanbevelingen, voor zover ze zijn bevoegdheid betreffen, uit te werken en deze te betrekken bij het beleid over en de uitvoering van de toegang tot jeugdzorg in Leiden en de raad daarover te informeren.

 

x

 
RV 19.0044 Aanbevelingen Rapport Rekenkamercommissie ‘Digitaal gedrag: veilig en verantwoord’

Besluitpunt

Raad

College

Toelichting op voortgang

1. In te stemmen met de conclusies van het rapport van de Rekenkamercommissie ‘Digitaal gedrag: veilig en verantwoord’.

x

 

RV 19.0044 is vastgesteld door de raad op 23 mei 2019

2. De volgende aanbevelingen uit het rapport van de Rekenkamercommissie ‘Digitaal gedrag: veilig en verantwoord’, over te nemen:

x

 

Aanbevelingen zijn door de raad overgenomen d.m.v. het raadsbesluit.

  1. Aanbeveling 1: Los de concrete kwetsbaarheden op die bleken uit de penetratietesten
 

x

De kwetsbaarheden zijn opgelost. Periodiek wordt het systeem gescand op nieuwe kwetsbaarheden, zodat deze kunnen worden aangepakt en om te meten of de maatregelen nog afdoende zijn. Daarnaast is het technische beheer van de ICT-dienstverlening uitbesteed aan een partner die jaarlijks penetratietesten uitvoert op de infrastructuur.

  • Aanbeveling 2: Maak de organisatie en de medewerkers ervan bewust dat het grootste risico voor de digitale veiligheid, het (eigen) gedrag is.
 

x

Het bewerkstelligen van veilig gedrag is een continue proces wat herhaling behoeft. Daarvoor zijn trainingen en sessies in 2020 aangeboden. Deze vinden ook in 2021 plaats. Daarnaast heeft IB&P een e-learning ontwikkeld die vanaf Q1 2021 alle medewerkers continue traint en toetst op de eigen werkplek en zo veel als mogelijk is toegespitst op de eigen werkzaamheden.

  • c. Aanbeveling 3: Verbeter de beveiliging. Onderzoek of de fysieke (kantoor)locaties beter kunnen worden beveiligd en verlaag hiermee de kans op misbruik van interne systemen. Maak waar mogelijk gebruik kan worden gemaakt van ‘two factor authentication’. Dit zorgt ervoor dat wanneer kwaadwillenden toegang hebben gekregen tot de inloggegevens van een gebruiker, er alsnog geen gebruik van gemaakt kan worden omdat de tweede factor (bijvoorbeeld sms-token, vingerafdruk, push-bericht, USB-token, etc.) ontbreekt.
 

x

Sinds het onderzoek is de verhuizing naar het Stadkantoor uitgevoerd en is iedereen voorzien van een Surface.

Op de nieuwe werkplekken die zijn uitgerold is twee-factor-authenticatie ingericht en dit is tevens de standaard voor het benaderen van cloud-applicaties wanneer het niet mogelijk is deze via Single-Sign-On te benaderen. Dit laatste heeft onze voorkeur vanwege de directe koppeling aan de toegang tot de werkplek.

  • d. Aanbeveling 4: Controleer de ontwikkelingen binnen digitale veiligheid op de drie kwetsbaarheden (het gedrag, de actualiteit en de informatievoorziening) en op de beschikbaarheid van voldoende middelen. Vraag het College op deze onderwerpen te rapporteren.
 

x

Het team IB&P binnen SP71 houdt zich op dagelijkse basis bezig met de ontwikkelingen op het gebied van Digitale veiligheid.

Zie voor focus de verantwoordingstekst van de jaarrekening.

3. De volgende aandachtspunten uit het rapport van de Rekenkamercommissie ‘Digitaal gedrag: veilig en verantwoord’, over te nemen:

x

  

3.1 Gedrag:

1. Zorg dat het beveiligingsbewustzijn verbetert en actief wordt onderhouden, door voorlichting en training van medewerkers. Train medewerkers hoe ze een phishing e-mail kunnen herkennen en wat ze moeten doen bij het ontvangen van een phishing e-mail.

2. De aanschaf van nieuwe apparatuur of digitale diensten brengt veiligheidsrisico’s mee. Zorg dat medewerkers zich hiervan bewust zijn en zorg dragen voor het (laten) updaten en controleren van de digitale veiligheid.

3. Zorg voor een helder overzicht van aanwezige systemen, applicaties, infrastructuur en contracten met leveranciers, zodat zicht is op bevoegdheden, netwerkpoorten, aanwezige services en eenvoudig te misbruiken kwetsbaarheden, bijvoorbeeld met een vulnerability scanner.

4. Besteed in het bijzonder aandacht aan het aanspreken van onbekenden op kantoorlocaties, aangezien de geconstateerde kwetsbaarheden vooral van binnenuit (vanuit toegang tot het netwerk) te gebruiken waren.

5. Personeel moet dus integer zijn, bewust zijn op mogelijke indringers, phishingmail kunnen herkennen en wachtwoorden voor zich houden. Houd er rekening mee dat er nu vooral gewerkt wordt op basis van vertrouwen.

3.2 Actualiteit:

1. Actualiseer het digitale veiligheidsbeleid aan de (technologische) ontwikkelingen. Het informatiebeveiligingsbeleid stamt uit 2016, het beleid gegevensbescherming uit 2015. Een belangrijke ontwikkeling sindsdien die een plek moet krijgen in het beleid is de inwerkingtreding van de AVG. Omdat er nog veel onduidelijkheden waren rondom de specifieke consequenties van de AVG hebben de gemeenten ervoor gekozen om het beleid pas na inwerkingtreding te actualiseren.

2. Laat periodiek audits en penetratietesten uitvoeren door gespecialiseerde bureaus. Voer risicoanalyses en evaluaties uit en pas op basis van de uitkomsten het digitale beveiligingsbeleid aan. Dat geldt ook voor risico’s door nieuwe zwakheden, die dagelijks ontstaan door de voortschrijdende technologie en de inventiviteit van hackers.

3. Installeer security updates zo snel mogelijk na verschijning. Maak afspraken met leveranciers van apparatuur over het beheren en updaten van systemen.

4. Implementeer netwerkscheiding zodat er beter onderscheid gemaakt kan worden tot toegang tot systemen, applicaties en netwerkservices.

3.3 Informatievoorziening

1. De afhandeling en monitoring van verbeteracties is niet altijd zichtbaar voor de raad. Vanuit de Plan-Do-Check-Act-cyclus is er wel inzicht op de ‘check’, maar minder op de ‘act’. Het verdient aanbeveling om de informatievoorziening over de afhandeling van toegezegde verbeteracties aan de raad hierop aan te passen.

2. Ga na of de gemeente periodiek penetratietesten laat uitvoeren door experts. Vraag specifiek om vertrouwelijk geïnformeerd te worden over de eventueel gevonden kwetsbaarheden en de daarop ondernomen acties.

3. De komende jaren zullen meer medewerkers die betrokken zijn bij digitale veiligheid, gaan werken voor de Leidse Regio in plaats van voor afzonderlijke gemeenten. Het is daarbij zaak om goed zicht te houden op de verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Zeker bij incidenten, is het noodzakelijk om dit goed in beeld te hebben. Nu zijn er in beide gemeenten geen specifieke procedures opgesteld voor een dergelijke (fictieve) situatie, anders dan de reguliere veiligheidsplannen.

4. Zorg dat inzichtelijk wordt gemaakt of er voldoende middelen zijn voor informatiebeveiliging.

 

x

Alle genoemde aandachtspunten zijn overgenomen en opgenomen in het Strategisch Regionaal Gemeentelijk Informatiebeveiligingsbeleid (20.0103, 3 maart 2020), in de dagelijkse uitvoering van het team IB&P en beschreven in de verantwoordingstekst van de jaarrekening.

4. Het college te verzoeken bovengenoemde aanbevelingen, voor zover ze zijn bevoegdheid betreffen, uit te werken en deze te betrekken bij het beleid over digitale veiligheid en de raad daarover te informeren.

 

x

Dit verzoek is opgevolgd, zie daarvoor de verantwoordingstekst van de jaarrekening.

RV 19.0115 Aanbevelingen rapport Rekenkamercommissie ‘Haalbaar maar…Woningbouwopgave Leiden en Leiderdorp tot 2030’

Besluitpunt

Raad

College

Toelichting op voortgang

1. In te stemmen met de conclusies van het rapport van de Rekenkamercommissie ‘Haalbaar maar…Woningbouwopgave Leiden en Leiderdorp tot 2030’

x

 

RV 19.0115 is vastgesteld door de raad op 12-14 november 2019.

2. De volgende aanbevelingen uit het rapport van de Rekenkamercommissie ‘Haalbaar maar…Woningbouwopgave Leiden en Leiderdorp tot 2030’, over te nemen:

x

 

Aanbevelingen zijn door de raad overgenomen d.m.v. het raadsbesluit.

  • Aanbeveling 1: Stuur op het betrekken van alle stakeholders (inclusief bewoners) bij de ontwikkelstrategie en een actiegerichte agenda en bepaal als gemeenteraad expliciet je plek en taak in de verschillende fases van dat proces.

x

 

De raad heeft met RV 19.0166 ‘Raamwerk Omgevingswet-instrumentarium gemeenteraad’ tot een duidelijke fasering van ruimtelijke besluiten (waaronder woningbouw) besloten. In dit RV wordt ook op de uitvoering van de aanbevelingen van het RKC-rapport ingegaan. Het betrekken van bewoners bij plannen is geregeld in de ‘Werkwijze initiatieven van derden’ en met de participatieladder. Daarnaast vindt op dit moment nog een onderzoek naar publieksparticipatie plaats die op dit punt gevolgen kan gaan hebben voor de werkwijze.

  • Aanbeveling 3: Krijg en houd in beeld hoe het staat met de woningbouwopgave door een instrument als de (Leidse) woningbouwmonitor periodiek prioriteit te geven op de raadsagenda en laat het college het resultaat mede beschrijven aan de hand van de negen criteria. Besteed hierbij onder meer aandacht aan:

A. de realisatie van het percentage sociale huurwoningen;

B. de realisatie van studentenwoningen;

C. de kwaliteit van de participatie en de relatie met planuitval en vertraging;

D. de verhouding tussen harde en zachte plannen, met name voor de periode vanaf 2023;

E. de ‘plancapaciteit’ in de gemeente;

x

x

M.b.t aanbevelingen raad:

Al deze punten vormen onderdeel van de woningbouwmonitor waar in 2020 mee is gestart. Deze monitor komt tweemaal per jaar uit, vlak voor of gelijktijdig met de behandeling van de P&C-stukken. De monitor blijft zich ontwikkelen n.a.v. de bespreking van voorstellen die daar aanleiding voor geven, zoals de Doelgroepenverordening.

M.b.t. aanbevelingen college:
De woningbouwmonitor wordt twee keer per jaar gepubliceerd. De Woningbouwmonitor blijven we door ontwikkelen. Zo hebben we de prijscategorieën meer gedetailleerd uitgesplitst en hebben we de studentenhuisvesting nu voor de hele Leidse regio in beeld. De plancapaciteit en de planuitval (en hoe we dit berekenen) is opgenomen in de Woningbouwmonitor.

  • Aanbeveling 4: Wees actief betrokken bij regionale keuzes en de evaluatie daarvan in relatie tot de woningbouwopgave.

x

x

M.b.t aanbevelingen raad:

Er is een vaste werkwijze m.b.t. regionale stukken van Holland Rijnland waar de commissie SO in een vroeg stadium bij de besluitvorming wordt betrokken. In dit geval betreft dat de Regionale Woonagenda en mogelijke actualisaties of herzieningen daarvan in de toekomst.

M.b.t. aanbevelingen college:
Zowel op ambtelijk als bestuurlijk niveau overleggen de gemeenten van Holland Rijnland regelmatig met elkaar over de woningbouwopgave. De afspraken uit de Regionale Woonagenda vormen daarvoor het uitgangspunt, de Woonagenda is recent geëvalueerd. Onlangs is opdracht gegeven tot een actualisatie van de Regionale Woonagenda. Deze zal t.z.t. door het AB van Holland Rijnland worden vastgesteld. Het college houdt de raad op de hoogte bij het tot stand komen van dit stuk.

  • Aanbeveling 5: Stel momenten vast om stil te staan bij de wijze en het moment waarop over de woningbouwopgave gesproken wordt (zowel vooraf als in de evaluerende fase) en maak hier concrete afspraken over met het College. Ga zo nu en dan, buiten de formele beslismomenten, met het college in gesprek over lopende en aanstaande projecten en bespreek de mogelijke afwegingen mede in relatie tot de 9 criteria. Nodig daarbij zo nodig inwoners, ontwikkelaars en andere betrokkenen of experts bij uit.

x

 

De woningbouwopgave komt bij ieder bouwplan aan de orde en in ieder geval ook tweemaal per jaar bij bespreking van de woningbouwmonitor in de commissie SO.

  • Aanbeveling 6: Eis als raad dat de controlerende rol goed vervuld kan worden tijdens de fase van de totstandkoming van plannen (vroege initiatieffase, b.v. door een Nota van Uitgangspunten) en tijdens de uitvoering van plannen (na het besluit in de raad), door je als raad mede aan de hand van de 9 criteria over lopende en aankomende projecten te laten informeren waarbij de geconstateerde dilemma’s en de gemaakte afwegingen concreet gemaakt worden.

x

 

De werkwijze zoals besloten met RV 19.0166 ‘Raamwerk Omgevingswet-instrumentarium gemeenteraad’ de raad de mogelijkheid om de kaders te stellen en die later in het proces te controleren. Dit onderwerp blijft wel onderwerp van doorontwikkeling.

  • Bespreek de afzonderlijke projecten nooit zonder ‘uit te zoomen’ naar de grotere opgave en de uitgangspunten die in de kaderstellende documenten zijn geformuleerd.

x

 

De getrapte werkwijze als besloten in RV 19.0166 ‘Raamwerk Omgevingswet-instrumentarium gemeenteraad’ biedt de raad de mogelijkheid om bij een concreet voorstel uit te zoomen naar de grotere opgaven. Het is zowel een taak van het college om dit in RV inzichtelijk te maken, als van de griffie om de raad daarin te ondersteunen.

RV 20.0126 Aanbevelingen rapport Rekenkamercommissie ‘Leiden Bio Science Park’

Besluitpunt

Raad

College

Toelichting op voortgang

  1. Het college te verzoeken binnen drie maanden na dit raadsbesluit heldere tussendoelen te formuleren bij de doelstellingen uit het beleidsakkoord gericht op het Leiden Bio Science Park;
 

x

Na de brainstorm op 4 maart 2021 met de commissie Werk en Middelen heeft het college op 26 april 2021 besloten een aantal heldere doelen voor het LBSP te stellen. Dit is behandeld in de commissie WM op 20 mei 2021; de besluitvorming in de raad was op 3 juni 2021.

  • Het college te verzoeken de raad, naast de rapportages in het kader van de planning- en controlcyclus, één maal per jaar afzonderlijk te informeren over de ontwikkelingen bij het Leiden Bio Science Park en daarbij aan te geven in hoeverre het bereiken van de geformuleerde doelstellingen op koers ligt en daarbij in te gaan op de effecten van de inspanningen om bedrijven aan te trekken en op de samenwerking daarbij met andere partijen.
 

x

Hiervoor is nog geen datum bekend.

  • Het college te verzoeken om jaarlijks, bij de in het vorige punt genoemde informatieverschaffing, een bijeenkomst te organiseren waarvoor de gehele raad wordt uitgenodigd om over de ontwikkeling van het gebied te spreken;
 

x

Hiervoor is nog geen datum bekend.

  • Te bepalen dat bij het agenderen van zaken met betrekking tot het Leiden Bio Science Park in een raadscommissie de leden van de andere raadscommissies daarop uitdrukkelijk geattendeerd zullen worden.

x

 

Er heeft nog geen bijeenkomst plaatsgevonden.

  • Het college rapporteert over de voortgang met betrekking tot punten 1, 2 en 3 en dat de raad punt 4 bewaakt.