Jaarstukken 2020

Het EMU-saldo geeft het saldo van de inkomende en uitgaande geldstromen die daadwerkelijk in het kalenderjaar 2020 hebben plaatsgevonden minus deelname aan bedrijven en inkomsten uit kredietverstrekking. Dit is de wijze waarop de landen in de Euro-zone hun EMU-saldo berekenen en waarover ook begrotingsafspraken zijn gemaakt. In het bestuurlijk overleg tussen het ministerie van Binnenlandse Zaken, VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) en IPO (Interprovinciaal Overleg) is afgesproken dat het Rijk en de lokale overheden gezamenlijk werken aan het beheersen van het EMU-tekort. De EMU-tekortnorm decentrale overheden voor 2020 bedraagt 0,4 van het bruto binnenlands product. (Deze norm is voor 4 jaar vastgesteld. 2019-2022) Er is geen onderverdeling naar gemeenten, provincies en waterschappen vastgesteld. Daarom worden er ook geen referentiewaarden per gemeente bekend gemaakt.

Omschrijving

2020

Exploitatiesaldo vóór toevoeging aan c.q. onttrekking uit reserves (zie BBV, artikel 17c)

-8.835

-/- Mutatie (im)materiële vaste activa

63.187

+/+ Mutatie voorzieningen

-561

-/- Mutatie voorraden (incl. bouwgronden in exploitatie)

5.033

-/- Verwachte boekwinst bij verkoop effecten en verwachte boekwinst bij verkoop (im)materiële vaste activa

0

Berekend EMU-saldo

-77.617

Bedragen * 1.000

Het EMU-saldo kan gezien worden als een extra financieel kengetal, naast de andere vijf verplichte financiële kengetallen zoals de solvabiliteit en de (netto) schuldquote. Het EMU-saldo heeft een vergelijkbare functie als het kasstroomoverzicht in het bedrijfsleven. Het negatieve EMU-saldo over 2020 geeft aan dat we als gemeente via reële transacties afgelopen jaar 79,6 mln meer uitgegeven hebben dan dat we hebben ontvangen. Het is echter wel van belang om het EMU-saldo in de juiste context te zien. Gemeenten maken voor hun boekhouding gebruik van het ‘gemodificeerde stelsel van baten en lasten’. Hierdoor zegt het EMU-saldo van één jaar relatief weinig, omdat de uitgaven voor investeringen bijvoorbeeld in één jaar leiden tot een uitgave, maar in de exploitatie via de kapitaallasten leiden tot meerjarige lasten. Of dat toevoegingen aan voorzieningen ten laste van het resultaat gaan, maar pas bij besteding van de voorziening leiden tot een uitgave.