Ga naar boven

Financieel resultaat 2017

Tabel 1 rekeningresultaat 2017


bedragen x € 1.000,-

Rekening 2016

Begroting 2017

Rekening 2017

Verschil 2017

Lasten

496.368

520.265

503.712

16.553

Baten

-492.249

-472.697

-469.859

-2.838

Totaal van saldo van baten en lasten

4.119

47.568

33.853

13.715

Mutaties in reserves:

- toevoegingen

112.753

59.814

62.073

-2.259

- onttrekkingen

-119.851

-107.382

-100.636

-6.746

Resultaat

-2.979

0

-4.710

4.710

Het rekeningresultaat 2017 bedraagt na vennootschapsbelasting € 4.582.054. Het verschil tussen het rekeningsaldo en het resultaat zoals in de tabel hierboven wordt gepresenteerd is € 128.007 vennootschapsbelasting.

Deze paragraaf geeft in hoofdlijnen het financieel resultaat van de jaarrekening 2017. Allereerst komt de ontwikkeling van de begroting 2017 aan de orde. Daarna leest u per programma de grootste financiële afwijkingen ten opzichte van de begroting. Verder lichten we de resultaten van de grondexploitaties van de gemeente toe en verduidelijken we de relatie tussen de diverse verantwoordingsdocumenten die hiervoor beschikbaar zijn. We besluiten deze paragraaf met een toelichting op de financiële positie van de gemeente.

2. Ontwikkeling van het resultaat 2017

In de Eerste Bestuursrapportage zorgde binnen programma 4 het besluit van het college om aan beide zijden van het Centraal station een gelijkwaardige locatie voor het busstation te onderzoeken voor een tegenvaller van € 1,2 miljoen. Daarnaast zorgden ook Jeugdhulp (€ 1,1 miljoen) en de bijstandsuitkeringen en bijzondere bijstand (€ 2,0 miljoen) voor tegenvallers. Door enkele meevallers binnen programma Algemene dekkingsmiddelen (€ 2,3 miljoen aanvullende onderuitputting kapitaallasten en € 2,9 miljoen op het renteresultaat) had de Eerste Bestuursrapportage per saldo een nadeel van € 2,3 miljoen.

Bij de Tweede Bestuursrapportage 2017 verwachtte het college een aanvullende tekort van € 1,6 miljoen. De grootste tegenvallers waren een correctie op de achterblijvende inkomsten bouwleges in 2017 van € 1,2 miljoen en een ten opzichte van de aanmelding in de Eerste bestuursrapportage aanvullende tegenvaller op de bijzondere bijstand en de bijstanduitkeringen van € 1,3 miljoen. Deze nadelen konden deels worden opgevangen door een meevaller in de Algemene uitkering uit het Gemeentefonds van € 1,3 miljoen.

De Decemberwijziging 2017 meldde onder meer nadelen op de Algemene uitkering uit het Gemeentefonds door een tegenvallende ontwikkeling van de rijksuitgaven (€ 1,1 miljoen) en een regionale overschrijding op het budget voor de Jeugdhulp (€ 650.000). Hiertegenover stonden meevallers op de eindafrekening Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (€ 483.000) een meevaller op het BUIG-budget en bijstandsuitkeringen (€ 425.000) en meevallers op het budget WMO begeleiding en WMO financiële maatwerkvoorziening (€ 250.000). Per saldo zorgde deze decemberwijziging voor een meevaller van € 93.171.

3. Rekeningresultaat 2017 per programma

Ten opzichte van de bij de Decemberwijziging 2017 gewijzigde begroting laten de verschillende programma's de onderstaande afwijking zien:

Tabel 2 Verschil begroting / rekening 2017 per programma

bedragen x € 1.000 (- = nadeel)

Verschil baten en lasten

Verschil reserves

Verschil resultaat

1. Bestuur en dienstverlening

525 V

-12 N

513 V

2. Veiligheid

45 V

0

45 V

3. Economie

902 V

-570 N

332 V

4. Bereikbaarheid

2.336 V

-1.802 N

534 V

5. Omgevingskwaliteit

1.490 V

-1.030 N

460 V

6. Stedelijke ontwikkeling

2.758 V

- 509 N

2.249 V

7 Jeugd en onderwijs

-195 N

-66 N

-261 N

8. Cultuur, sport en recreatie

712 V

-489 N

223 V

9. Maatschappelijke ondersteuning

1.494 V

-834 N

659 V

10. Werk en inkomen

777 V

-657 N

120 V

Algemene middelen

5.053 V

-2.516 N

2.537 V

Overhead

-2.181 N

-519 N

-2.700 N

Vennootschapsbelasting

-128 N

0

-128 N

Totaal

13.587 V

-9.004 N

4.582 V

Per programma bepalen vooral de onderstaande grote voor- en nadelen het resultaat van de Jaarrekening. Deze voor- en nadelen staan bij de begrotingsprogramma's uitgebreid toegelicht.

  • Het voordelig resultaat op programma 1 Bestuur en dienstverlening van € 513.000 wordt voor € 311.000 veroorzaakt door het beleidsterrein Bestuur en bestaat uit diverse kleinere meevallers.
  • Programma 2 Veiligheid heeft een minimaal voordeel van € 45.000.
  • Het resultaat van € 332.000 op programma 3 Economie is vooral het gevolg van niet-uitgegeven incidentele middelen voor de Economische agenda (€ 200.000) en het budget voor de verliesvoorzieningen voor de deelnemingen in investeringsfondsen UNIIQ en Innovation Quarter. Mede vanwege de bovenstaande meevallers is € 570.000 minder uit de reserves onttrokken dan geraamd. Daarnaast zorgt het terugdraaien van de doorbelasting van de gemeentebrede overhead in verband met gewijzigde verslaggevingsregels (zie toelichting programma Overhead) voor een aanvullend voordeel van € 240.000.
  • Programma 4 Bereikbaarheid heeft op de baten en lasten een voordeel van € 2,3 miljoen. Dit komt vooral door niet gerealiseerde investeringsbijdragen gedekt door reserves (€ 701.000) en een voordelig resultaat op de parkeerexploitatie (€ 824.000) dat binnen het gesloten financiële systeem van parkeren wordt toegevoegd aan de parkeerrserve. Dit alles leidt per saldo tot een lagere onttrekking van € 1,8 miljoen aan de reserves. Het hierna resterend voordeel van € 534.000 wordt vooral veroorzaakt door nog niet ingezette middelden voor een subsidie voor het afschermen van private parkeergelegenheden (€ 282.000, hiervoor zal een bestemmingsvoorstel worden aangeleverd) en minder toegeregekende gemeentebrede overhead (€ 118.000, zie toelichting programma Overhead).
  • Het resultaat van € 460.000 op programma 5 Omgevingskwaliteit wordt voor € 165.000 veroorzaakt door door gewijzigde overhead-regels (zie toelichting programma Overhead). Daarnaast zijn er meerdere kleinere voordelen op het beheer van de stad. De lasten zijn door meer werken voor derden € 447.000 hoger dan geraamd, maar daar tegenover staat ook € 458.000 aan hogere inkomsten.
  • Programma 6 Stedelijke ontwikkeling heeft een voordelig resultaat van € 2,2 miljoen. Dit wordt vooral veroorzaakt door een incidenteel resultaat binnen het erfpachtbedrijf (€ 729.000) en een voordeel van € 1,3 miljoen op de prestatie Opstellen Meerjarenprespectief Grondexploitaties 2017 en Vermogensbeheer Grondexploitaties 2017-2021. Het resultaat op het MPG / Vermogensbeheer is het saldo van het doorschuiven van investeringsbijdragen naar het volgendjaar (zie ook het bestemmingsvoorstel bij deze Jaarstukken) en met name een nadeel van € 419.000 door het verslechteren van het resultaat op de grondexploitatie Stationsgebied en een nadeel van € 237.500 door een BTW-correctie Haarlemmertrekvaart. Daarnaast ontstaat een boekhoudkundig voordeel door € 1 miljoen lager toegerekende gemeentebrede overhead (zie toelichting programma Overhead).
  • Op programma 7 Jeugd en Onderwijs komt de gemeente in 2017 € 261.000 nadeliger uit dan begroot door hogere uitgaven op het beleidsterrein Jeugd. Dit is het saldo van een hogere eindafrekening van de Tijdelijke Werkorganisatie (TWO), Sociale Verzekeringsbank (SVB) en zorgverleners over 2015 en 2016 en een voordeligere afrekening over 2017.
  • Het resultaat van programma 8 Cultuur, Sport en Recreatie van € 223.000 is vooral het gevolg van hogere inkomsten uit dienstverlening van Erfgoed Leiden en Omstreken aan derden en onderuitputting op de subsidieregelingen voor monumenten.
  • Programma 9 Maatschappelijke ondersteuning heeft een resultaat van € 659.000 voordelig. Dit is het saldo van meerdere mee- en tegenvallers zoals een meevaller op Beschermd wonen (zorg in natura) van € 1,6 miljoen, tegenvallers op onder meer de huisvesting vergunninghouders en bijzondere doelgroepen (€ 362.000), de Wmo individuele begeleiding (€ 380.000) en door hogere subsidies aan Veilig Thuis (€ 213.500) en de Brijderstiching € (170.000). De incidentele middelen van het transformatiebudget zijn in 2017 voor € 582.000 niet ingezet, maar hiertegenover staat ook een lagere onttrekking aan de reserves. Ook in programma 9 zorgen de gewijzigde verslaggevingsregels voor de gemeentebrede overhead voor een meevaller € 352.000. Hiertegenover staat op programma Overhead een nadeel van dezelfde omvang.
  • Het resultaat van programma 10 Werk en inkomen over 2017 bedraagt € 120.000 voordelig. De SWZ-regeling ter compensatie van de extra bijstandskosten door statushouders (“inter-temporele regeling”) valt € 298.000 lager uit en op maatschappelijke participatie en ondersteuning minima ontstaat een nadeel van € 254.000 door een hoger beroep op kwijtschelding en hogere uitvoeringskosten.
  • Programma Algemene middelen heeft over 2017 een voordelig resultaat van € 2,5 miljoen. Dit is het gevolg lagere opbrengsten uit de OZB en precariobelasting (€ 581.000 nadeel) , een hogere uitkering uit het Gemeentefonds dan begroot (€ 987.000 voordeel) en het vrijvallen van de voorziening wethouderspensioenen naar aanleiding van een technische correctie (€ 783.000). Het vrijvallen van de voorziening dubieuze debiteuren in verband met het afboeken van een vordering zorgt voor een aanvullend voordeel van € 800.000. Hiertegenover staat echter een nadeel met dezelfde omvang op programma 6 Stedelijke ontwikkeling.
  • Het nadeel op programma Overhead, vennootschapsbelasting en onvoorzien van € 2,7 miljoen is voor € 2,4 miljoen het gevolg van de gewijzigde overheadtoerekening als gevolg van de nieuwe verslaggevingsregels (BBV). Hierdoor mogen de kosten van de gemeentebrede overhead (zoals ambtenarenhuisvesting, ICT, HRM) niet meer aan alle projecten worden doorberekend. Dit zorgt ervoor dat op de andere programma's voordelen ontstaan en op programma Overhead een nadeel van dezelfde omvang. In het raadsvoorstel bij deze Jaarstukken wordt het resultaat hierop gecorrigeerd. Deze Jaarstukken zelf laten op basis van de verslaggevingsregels het resultaat zien zonder deze correctie. Door de keuze om ambtelijke huisvesting te gaan huren, mogen de plankosten voor de ambtelijke huisvesting niet meer worden geactiveerd, maar moeten in één keer ten laste komen van het Jaarrekeningresultaat. Dit naar voren schuiven van de lasten zorgt voor een nadeel van € 977.000 op programma overhead.
  • Rondom de vennootschapsbelasting (VpB) is nog geen definitieve zekerheid of de gemeente die verschuldigd is over een eventueel positief resultaat op de vergoeding voor ligplaatsen voor woonschepen en reclame in de openbare ruimte. Het college stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is. Hoewel deze discussie nog niet is afgerond, brengen we vanuit het voorzichtigheidsbeginsel de VpB over 2016 en 2017 van in totaal € 128.007 ten laste van het jaarrekeningresultaat 2017.

4. Verantwoording resultaten grondbeleid

De verantwoording over de ontwikkeling van de resultaten van het grondbeleid, en de risico's die daarbij optreden, bestaat uit meerdere onderdelen. Deze onderdelen zijn verspreid in deze jaarstukken opgenomen. Dit is in lijn met de voorschriften uit het BBV. Naast de verantwoording via de jaarstukken vindt er aanvullend nog een gedetailleerde verantwoording plaats in het Meerjaren Perspectief Grondexploitaties 2018 (MPG).

Hierna volgt eerst een uiteenzetting waar welke informatie in de jaarstukken is opgenomen. Daarna lichten we de resultaten en meerjarige ontwikkeling van de resultaten op hoofdlijnen toe.

Welke informatie is waar te vinden?

In deze jaarstukken zijn in de programmaverantwoording (programma 6, Stedelijke Ontwikkeling bij de prestatie Opstellen Meerjaren Perspectief Grondexploitaties 2017 en Vermogensbeheer Grondexploitaties 2017-2021) toelichtingen opgenomen over de afwijkingen ten opzichte van de begroting.

De paragraaf Grondbeleid geeft, naast het bestaande beleid en de beleidsvoornemens, een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de totale grondexploitatie. Door de vergelijking met de verwachtingen van vorig jaar ontstaat een goed beeld van de in boekjaar 2017 verwerkte resultaten.

Om risico's die samenhangen met de grondexploitatie te beheersen zijn er risicoanalyses uitgevoerd. De uitkomsten van deze analyse staan opgenomen in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing .

De uitkomsten van de financiële waardering van grondexploitaties staan in de balans van de gemeente.
Onder de rubriek voorraden zijn de waarden opgenomen van de grondexploitaties. Toelichtingen op de waardering zijn opgenomen in de toelichting op de balans. De waarde op de balans van € 15,7 miljoen vertegenwoordigt de kosten tot en met 2017 verminderd met de opbrengsten tot en met 2017.
Leiden maakt gebruik van de mogelijkheid om de resultaten van de grondexploitatie te verrekenen met een speciaal hiervoor gevormde reserve, de Reserve Grondexploitaties. Het doel van deze reserve is grote schommelingen in de "normale" exploitatie van de gemeente te voorkomen en resultaten van de grondexploitaties zoveel mogelijk af te zonderen. Om een goed beeld te krijgen van de financiële resultaten van de grondexploitatie is het daarom van belang om te kijken naar zowel de op de balans opgenomen bedragen als naar de verwachting over de meerjarige ontwikkeling van de Reserve Grondexploitaties.

De verantwoording over de grondexploitaties via het MPG sluit cijfermatig volledig aan op de informatie die hierover in de jaarrekening is opgenomen. Alleen de mate van detaillering van de informatie verschilt, deze is hoger in het MPG.

Hoe hebben de resultaten van de grondexploitaties zich in 2017 ontwikkeld?
In 2017 zijn twee grondexploitaties afgesloten: Oppenheimstraat fase 2 en Trekvaartplein. Hierop is in 2017 een positief resultaat behaald van € 998.000. Het resultaat van de overige grondexploitaties over 2017 bedraagt per saldo € 2,2 miljoen negatief. Dit saldo wordt conform afspraak verrekend met de Reserve Grondexploitaties, met uitzondering van de grondexploitaties Lammenschansdriehoek en Stationsgebied. Meer over de oorzaken van de resultaten en over de grondexploitaties zelf leest u in het MeerjarenPerspectief Grondexploitaties 2018.
Hoe was het verloop van de vereveningsreserve grondexploitaties in 2017?
Het verloop in 2017 van de vereveningsreserve en het verwachte verloop in de komende jaren wordt in de rapportage Vermogensbeheer Grondexploitaties 2018-2022 gegeven, die vooruitlopend op de programmabegroting 2019-2022 verschijnt.

5. Financiële positie

Een gezonde financiële positie is belangrijk voor zowel het Leiden van nu, als het Leiden van de toekomst. De financiële positie van de gemeente beoordelen we vanuit drie aspecten die hieronder in een schema staan weergegeven. Deze beoordeling overlapt deels de voorgeschreven kengetallen zoals opgenomen in de paragraaf 2.3.2 Weerstandsvermogen en risicobeheersing.

Figuur 1: De drie aspecten waarlangs de financiële positie van gemeente Leiden is beoordeeld 

Leiden voldoet per 31 december 2017 aan criteria voor financiële stabiliteit
Een duurzaam financieel beleid houdt onder andere in dat de gemeentelijke voorzieningen op peil blijven en de gemeentelijke lasten voor burgers niet te veel stijgen. Zij moeten niet voor financiële verrassingen komen te staan. Deze stabiliteit komt tot uitdrukking op verschillende onderdelen van de financiële positie van gemeente Leiden.

De VNG geeft aan dat de schuldenlast meer zegt over de financiële positie van gemeenten dan de hoogte van het eigen vermogen. Om de financiële positie te kunnen beoordelen gebruiken we in de praktijk verschillende ratio’s. In de tabel hieronder is inzicht gegeven in deze ratio’s voor Leiden, in relatie tot de norm die hiervoor als uitgangspunt geldt.

Kengetallen Financiële stabiliteit

31-12-2015

31-12-2016

31-12-2017

Norm

Solvabiliteitsratio

54,7%

50,8%

43,4%

> 20%

Herfinancieringsrisico (renterisiconorm)

5%

4%

4%

< 20%

Voldaan aan norm voor kasgeldlimiet?

Ja

Ja

Ja

Ja

Exploitatiesaldo huidig jaar positief?

Ja

Nee

Ja

Ja

Exploitatiesaldi komende 4 jaar naar verwachting positief?

Ja

Ja

Ja

Ja

De solvabiliteit laat zien welk deel van het vermogen niet met schulden is belast. Hiermee is dit kental het 'omgekeerde' van de schuldratio, die laat zien wel deel van het vermogen is belast met schulden. In de private sector zijn dit belangrijke kengetallen omdat dit laat zien in hoeverre er bij failissement genoeg geld over blijft om alle schulden te vereffenen. Voor gemeenten is de zegginskracht van een dergelijk kengetal beperkt, omdat gemeenten niet failliet kunnen gaan waarna vereffening moet plaatsvinden. In het verleden kwalificeerde de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een solvabiliteitsratio groter dan 50% als 'voldoende'. Hierop was in de Jaarstukken 2016 de norm van 50% voor de solvabiliteit gebaseerd. In een publicatie over Houdbare gemeentefinanciën schrijft VNG: "Bij een schuldratio groter dan 80% (solvabiliteitsratio < 20%) heeft een gemeente zijn bezit zeer zwaar belast met schuld. (...) Bij een schuldratio tussen de 70% en 80% springt het licht voor een gemeente op oranje (solvabiliteitsratio < 30%)." We zien dat meer gemeenten deze signaleringswaarde van 20% hanteren. In 2016 was de solvabiliteitsratio van Nederlandse gemeenten gemiddeld 34,8% (zie benchmarkgegevens Waar staat je gemeente). De norm van 50% is kortom extreem behoudend en past niet bij het ambitieniveau van Leiden om te investeren in de stad. Daarom stellen we deze norm conform de adviezen van de VNG bij naar 20%.

De indicator herfinancieringsrisico (ook wel “renterisiconorm”, zie paragraaf 2.3.4 Financiering ) geeft aan welk deel van de leningen we in een bepaald jaar moeten herfinancieren. Bij een hoog percentage bestaat het risico dat we tegen een hogere rente moeten lenen en dat daardoor de rentelasten in de exploitatie toenemen. Overigens is er alleen sprake van een risico in het geval van rente stijgingen. Bij een rente daling ontstaat er juist ruimte. Wettelijk is bepaald dat het percentage van de leningen dat moet worden geherfinancierd lager moet zijn dan 20% van het begrotingstotaal. Een percentage onder 20% is voldoende, daarboven is onvoldoende. Leiden scoort bij deze indicator ruim voldoende.

De kasgeldlimiet is eveneens een wettelijke norm. Deze stelt dat de gemiddelde vlottende schuld, over drie maanden gezien, voor een gemeente maximaal 8,5% van het begrotingstotaal mag zijn. Een gemeente kan twee kwartalen achter elkaar deze limiet overschrijden. De gemeente Leiden voldoet aan deze norm. Zie voor een toelichting hierop de paragraaf 2.3.4 Financiering.

Het kengetal "of de exploitatiesaldi de komende 4 jaar naar verwachting positief zijn" geeft aan of er sprake is van een sluitende meerjarenbegroting. Voor de Jaarstukken 2017 is dit beoordeeld door te kijken naar de uitkomst van de Programmabegroting 2018-2021 bij het onderdeel 'structureel en reëel evenwicht'. Hieruit blijkt dat alle begrotingsjaren van het meerjarenbeeld structureel sluitend zijn.

Leiden is per 31 december 2017 voldoende flexibel om te reageren op veranderingen in de behoeften, ambities en doelstellingen op korte en lange termijn
Leiden is continue in beweging. Veranderingen in de maatschappij vragen om aanpassing van behoeften, ambities en doelstellingen van de gemeente.

Hieronder gaan we in op de flexibiliteit van de gemeentelijke exploitatie en balansposities. De kengetallen in de tabel geven inzicht in de mate waarin Leiden op korte termijn accenten kan verleggen. Denk hierbij ook aan ‘ruimte’ binnen de exploitatie: structurele lasten en baten (bijvoorbeeld kapitaallasten) versus incidentele, onbenutte belastingcapaciteit, flexibele schil van personele formatie (vast personeel versus inhuur) en de verkoop en/of andere financieringswijze van gemeentelijke bezittingen.

  Kengetallen financiële flexibiliteit

31-12-2015

31-12-2016

31-12-2017

Norm

Netto-schuld als aandeel van de exploitatie

44%

52%

71%

< 100%

Netto-schuld per inwoner

€ 1.231

€ 1.480

€ 2.670

< € 2.475

Structureel evenwicht
(structurele lasten gedekt door structurele baten)

Ja

Ja

Ja

Ja

Belastingcapaciteit

103%

106%

105%

De netto-schuld als aandeel van de exploitatie geeft een indicatie van de druk van de rentelasten op de exploitatie. Dit kengetal bestaat uit het totaal van de kort- en langlopende schulden verminderd met de vorderingen en liquide middelen, gedeeld door de totale inkomsten. Voor de normering geldt: hoe hoger het percentage, des te groter is het aandeel van rentelasten in de totale exploitatie en daarmee des te lager de flexibiliteit in het resterende budget. Hierbij heeft de VNG in de eerder geciteerde publicatie over Houdbare gemeentefinanciën de onderstaande normatiek geformuleerd: "Voor een gemeente geldt dat het licht op rood springt als de netto schuldquote boven de 130% uitkomt. Er is dan sprake van een zeer hoge schuld. (...) De norm houdt in dat een gemeente een netto schuldquote ruim onder de 130% moet hebben om bij een grote investering of voor het opvangen van de gevolgen van een recessie niet boven dit plafond uit te stijgen. Vandaar dat het licht al boven de 100% op oranje staat." Op dit moment is de schuldquote eind 2017 71%, dus lager dan de norm van 100%. Onder invloed van de komende investeringen in met name bereikbaarheid en sportaccommodaties zal dit kengetal echter sterk gaan oplopen. In de doorrekening van de financiële kengetallen bij de Programmabegroting 2018 verwachtten we een schuldquote van 141% eind 2021. Dit kengetal laat zien waar mogelijk kwetsbaarheden zitten en stelt het college zo in staat om hiermee rekening te houden door bijvoorbeeld de rente voor lange tijd vast te zetten en in de begroting de rentelasten behoudend te ramen. Deze beheersmaatregelen staan toegelicht in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing bij deze jaarstukken.

Wanneer we netto-schuld delen door het aantal inwoners van Leiden krijgen we de netto-schuld per inwoner. In 2016 hadden Nederlandse gemeenten met een vergelijkbare omgevingsadressendichtheid gemiddeld € 2.526 schuld per inwoner (zie benchmarkgegevens Waarstaatjegemeente.nl). Leiden heeft met een schuld van € 2.670 per inwoner dus een vrij vergelijkbare schuld per inwoner in vergelijking met het gemiddelde bij vergelijkbare gemeenten. Ook dit getal zal echter gaan oplopen door het investeringsprogramma van de gemeente. Uitgaande van de in de begroting 2018 verwachte netto schuld in 2021 (€ 652,8 miljoen) en de bevolkingspronose voor 2021 (128.500 inwoners) stijgt de schuld per inwoner naar € 5.037. Ook hierin blijkt het hoge ambitieniveau om te investeren in de stad.

De stijgende schuldratio en schuld per inwoner betekenen dat een steeds groter deel van de begroting vastligt in rentelasten. Dit maakt de begroting minder flexibel om bij te sturen. De structureel sluitende meerjarenbegroting en de redelijk gemiddelde woonlasten (5% hoger dan het gemiddelde) verminderen dit risico. Tegenover de gemiddelde woonlasten staat wel dat de lokale lasten voor bedrijven en instellingen in vergelijking met andere gemeenten relatief hoog zijn.

Leiden is per 31 december 2017 voldoende in staat financiële tegenvallers en risico’s op te vangen
Naast de financiële positie in de balans staat de gemeente bloot aan externe factoren zoals bezuinigingen vanuit het Rijk en claims. Een belangrijke graadmeter voor de financiële positie is, vanuit het oogpunt van weerbaarheid, het weerstandsvermogen. Het weerstandsvermogen laat zien in hoeverre Leiden in staat is om financiële tegenvallers op te vangen. In de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing is dit nader toegelicht. Hieronder is de samenvatting daarvan en de vergelijking met vorige jaren opgenomen.

Kengetallen financiële weerbaarheid (x € 1.000)

31-12-2015

31-12-2016

31-12-2017

Norm

A. Weerstandscapaciteit

23.898

32.069

17.454

B. Beleids- en bedrijfsrisico’s

19.248

15.703

16.146

Resterend weerstandsvermogen (A-B)

4.650

16.366

1.308

>0

Weerstandsratio A/B

1,2

2,1

1,1

>=1