Bedragen x € 1.000,- | Rekening 2024 | Begroting 2025 | Rekening 2025 | Verschil 2025 |
|---|---|---|---|---|
Lasten | 689.156 | 752.495 | 715.613 | 36.882 |
Baten | -649.384 | -758.643 | -754.061 | -4.582 |
Totaal van saldo van baten en lasten | 39.772 | -6.148 | -38.447 | 32.299 |
Mutaties in reserves: | ||||
- toevoegingen | 122.674 | 117.613 | 121.211 | -3.598 |
- onttrekkingen | -186.960 | -111.465 | -102.488 | -8.977 |
Resultaat | -24.514 | 0 | -19.724 | 19.724 |
Inleiding
In deze paragraaf lichten we het financieel resultaat van de jaarrekening 2025 op hoofdlijnen toe. Allereerst komt de ontwikkeling van de begroting 2025 aan de orde. Dan leest u welke financiële afwijkingen het rekeningresultaat over 2025 met name bepalen. Vervolgens verduidelijken we de relatie tussen de diverse documenten met betrekking tot de grondexploitaties. We besluiten deze paragraaf met een toelichting op de financiële positie van de gemeente.
Tweemaal per jaar verschijnt er een voortgangsrapportage. Daarin stelt het college de raad op de hoogte van de voortgang van de uitvoering van de lopende begroting. Hierbij licht het college afwijken in de uitvoering toe en stelt voor de budgettaire kaders te wijzigen waar dit nodig is.
In de Kaderbrief 2025-2029 is voor het jaar 2025 de begroting voornamelijk bijgesteld binnen de programma’s Stedelijke ontwikkeling (gemeentelijk vastgoed), Maatschappelijke ondersteuning (Wmo-indexering en bijsturing Sociaal Domein) en Algemene dekkingsmiddelen (ontwikkeling Gemeentefonds en actualisatie financieringslasten).
De Tweede Voortgangsrapportage liet een voordeel zien van € 3,4 miljoen voor het begrotingsjaar 2025. De belangrijkste meevaller was het terugdraaien van de stabilisering van de reserve Sociaal Domein (€ 2,3 miljoen). Daarnaast was er sprake van een meevaller in de ontwikkeling van de financieringslasten (€ 1,6 miljoen) en waren er enkele kleinere tegenvallers. Het saldo van € 3,4 miljoen is verrekend met de concernreserve.
De slotwijziging was de laatste begrotingswijziging waarmee de begroting 2025 is geactualiseerd. De slotwijziging liet een voordeel zien van € 4,2 miljoen. De belangrijkste wijziging was een voordeel van € 3,5 miljoen op het BUIG-budget (Werk en inkomen). Ook het voordelige saldo van de slotwijziging is verrekend met de concernreserve.
Ten opzichte van de gewijzigde begroting 2025 is het rekeningresultaat voor bestemming € 19,7 miljoen positief. We zien afwijkingen op de begroting voor zowel de baten als de lasten. De verschillende programma's laten de volgende financiële afwijking zien:
Programma | Lasten | Baten | Toevoeging | Onttrekking | Eindtotaal |
|---|---|---|---|---|---|
01. Bestuur en dienstverlening | -1.277 | 282 | - | -22 | -1.016 |
02. Veiligheid | 127 | -21 | - | - | 106 |
03. Economie | 1.391 | -363 | - | -171 | 856 |
04. Mobiliteit | 2.667 | 147 | -950 | -703 | 1.162 |
05. Omgevingskwaliteit | 4.252 | -1.040 | - | -1.214 | 1.999 |
06. Stedelijke ontwikkeling | 9.331 | -4.572 | -1.010 | -1.084 | 2.664 |
07. Jeugd en onderwijs | 2.022 | 386 | - | -146 | 2.263 |
08. Cultuur, sport en recreatie | -513 | 903 | -325 | -52 | 14 |
09. Maatschappelijke ondersteuning | 4.948 | -2.006 | 616 | -1.085 | 2.473 |
10. Werk en inkomen | 4.319 | -287 | - | -143 | 3.889 |
Algemene dekkingsmiddelen en Overhead | 9.614 | 1.987 | -1.928 | -4.358 | 5.314 |
Eindtotaal | 36.881 | -4.584 | -3.597 | -8.978 | 19.724 |
Een substantieel deel van het resultaat wordt gevormd door de onderuitputting van budgetten. Het gaat hierbij veelal om budgetten die beschikbaar zijn gesteld voor concrete, afgebakende activiteiten (projecten) die over de jaargrens lopen of die in de uitvoering zijn vertraagd. Om deze activiteiten te kunnen voltooien, wordt voorgesteld het bijbehorende budget in 2026 opnieuw beschikbaar te stellen. De voorstellen voor budgetoverheveling, in totaal € 10,0 miljoen, worden meegenomen in het bestemmingsvoorstel.
Ook zijn er beleidsterreinen waar met een gesloten regime wordt gewerkt. Dit speelt onder meer bij parkeren (programma 4), de grondexploitaties (programma 6) en het sociaal domein (programma's 7, 9 en 10). Daar is de afspraak dat positieve en negatieve saldi worden verrekend met de daarvoor bestemde reserves. Per saldo gaat het om een bedrag van € 8,8 miljoen dat aan reserves wordt toegevoegd. Ook dit wordt meegenomen in het bestemmingsvoorstel. Het bestemmingsvoorstel wordt afzonderlijk ter besluitvorming aan de raad voorgelegd. Het saldo van € 1,0 miljoen positief dat na bestemming resteert, wordt aan de concernreserve toegevoegd (na raadsbesluit).
Afwijkingen van de begroting
In de onderstaande tabel staan de beleidsdossiers met de grootste afwijkingen ten opzichte van de Slotwijziging (> € 0,5 miljoen). Bij de toelichting op de programma’s wordt een nadere toelichting gegeven op de afwijkingen.
Programma/ Beleidsterrein | Toelichting | Resultaat voor bestemming |
|---|---|---|
01. Bestuur en dienstverlening | Extra storting in de voorziening wethouderspensioenen vanwege de overgang van de pensioenaanspraken naar het ABP per 1 januari 2028 (storting was voorzien in begroting 2027). | -1,9 |
03. Economie | Lagere plankosten voor het project aanleg glasvezel. | 0,7 |
04. Mobiliteit | Een voordeel door lagere lasten voor verschillende mobiliteitsprojecten die meerdere jaren lopen. | 1,2 |
05. Omgevingskwaliteit | Lagere lasten voor groenprojecten en het beheer van groen in de openbare ruimte, onder andere doordat werkzaamheden zijn doorgeschoven. | 0,9 |
Een voordeel op het beheer van de verharde openbare ruimte. Onder meer door lagere lasten voor het beheer van wegen en een terugbetaling voor te veel betaalde energielasten. | 0,9 | |
06. Stedelijke ontwikkeling | Hogere opbrengsten van het erfpachtbedrijf, voornamelijk als gevolg van incidentele opbrengsten door verkoop van erfpachtgronden en canonherzieningen. | 1,0 |
Lagere implementatiekosten voor de Omgevingswet. | 0,7 | |
Per saldo (lasten en baten) een voordeel op de grondexploitaties en projecten, uitgebreider toegelicht in programma 6. | 2,2 | |
Een nadeel op de exploitatie van de gemeentelijke gebouwen. | -0,8 | |
07. Jeugd en onderwijs | Lagere lasten regionale specialistische jeugdhulp. | 1,4 |
Onderbesteding op het beleidsterrein Jeugd. Onder andere door extra rijksmiddelen vanuit de Meicirculaire, lagere lasten voor het beleidsprogramma Jeugd Holland Rijnland en het doorschuiven van de aanleg van speelplekken. | 0,7 | |
09. Maatschappelijke ondersteuning | Een voordeel op de (specialistische) maatschappelijke zorg. Onder andere door lagere lasten voor Beschermd Wonen en doordat een aantal subsidies over 2024 lager zijn vastgesteld. | 2,2 |
10. Werk en inkomen | Een voordeel op het beleidsveld Werk en Inkomen, onder andere doordat een groter deel van de door de regio ontvangen subsidie van het Europees Sociaal Fonds (ESF) aan Leiden toekomt en verschillende kleinere voordelen. | 1,9 |
Een voordeel op het re-integratiebudget, onder meer door een hogere omzet bij re-integratieactiviteiten van DZB. | 0,6 | |
Lagere lasten voor bijstandsuitkeringen, onder andere door een onderschrijding op het loonkostensubsidiebudget. | 0,6 | |
Lagere lasten en hogere baten voor de schuldhulpverlening, deels met een administratieve oorzaak (nadeel op Overhead). | 1,1 | |
Algemene Dekkingsmiddelen en Overhead | Hogere algemene uitkering van het Gemeentefonds in de Decembercirculaire 2025, voornamelijk voor taakmutaties. | 1,6 |
Het restant van de stelpost indexering dat in 2025 niet is aangewend. | 1,4 | |
Een voordeel op overhead voor bestemming. | 3,7 | |
Lagere inkomsten voor OZB niet-woningen door verminderingen uit voorgaande jaren. Onder andere voor woon-/zorgcomplexen die nu als woning moeten worden aangeslagen. | -0,5 | |
Een (incidentele) verhoging van de Voorziening dubieuze debiteuren, met name doordat meer vorderingen in het parkeerdomein als oninbaar worden beoordeeld. | -0,8 | |
Het instellen van een voorziening spaarverlof. | -0,8 | |
Lagere financieringslasten (rente) en er is geen gebruik gemaakt van de post onvoorzien. | 0,7 | |
Overig | 1,8 | |
Eindtotaal | 19,7 |
De verantwoording over de ontwikkeling van de resultaten van het grondbeleid en de risico's die daarbij optreden, bestaat uit meerdere onderdelen. Deze onderdelen zijn verspreid door deze jaarstukken opgenomen. Dit is in lijn met de verslaggevingsregels voor gemeenten (BBV). Naast de verantwoording via de jaarstukken vindt er aanvullend nog een gedetailleerde verantwoording plaats in het Meerjaren Perspectief Grondexploitaties 2026 (MPG). De Jaarstukken geven op de volgende plaatsen informatie over de grondexploitaties:
De verantwoording over de grondexploitaties via het MPG sluit cijfermatig volledig aan op de informatie die hierover in de jaarrekening is opgenomen. In het MPG worden de grondexploitaties en afwijkingen in de realisatie echter gedetailleerder toegelicht. Het verloop van de reserve Grondexploitaties in 2026 en het verwachte verloop in de komende jaren, wordt in de rapportage Vermogensbeheer Grondexploitaties 2026-2030 gegeven. Deze veschijnt dit jaar bij de Programmabegroting 2027-2030.
Een gezonde financiële positie is belangrijk voor zowel het Leiden van nu als het Leiden van de toekomst. De financiële positie van de gemeente beoordelen we vanuit drie aspecten die hieronder in een schema staan weergegeven. Deze beoordeling overlapt deels de voorgeschreven kengetallen zoals opgenomen in de paragraaf 2.3.2 weerstandsvermogen en risicobeheersing.
Figuur 1: De drie aspecten waarlangs de financiële positie van gemeente Leiden is beoordeeld
Stabiliteit betekent dat de gemeente een duurzaam financieel beleid voert, dat erop gericht is om onverwachte schommelingen te voorkomen en het voorzieningenniveau op peil te houden. Om dit te beoordelen hanteren we de onderstaande kengetallen over mogelijke schommelingen bij (her)financiering en het sluitend zijn van de begroting.
Kengetallen financiële stabiliteit | 31-12-2022 | 31-12-2023 | 31-12-2024 | 31-12-2025 | Referentie-waarde/ norm |
|---|---|---|---|---|---|
Solvabiliteitsratio | 31,2% | 29,6% | 26,5% | 27,7% | > 20% |
Herfinancieringsrisico (renterisiconorm) | 6% | 5% | 5% | 4% | < 20% |
Voldaan aan norm kasgeldlimiet | Ja | Ja | Ja | Ja | Ja |
Exploitatiesaldo huidige jaar positief | Ja | Ja | Ja | Ja | Ja |
Exploitatiesaldo komende 4 jaar naar verwachting positief | Ja | Ja | Ja | Ja | Ja |
Renteschommelingen bij (her)financiering kunnen zorgen voor onverwachte mee- en tegenvallers. Naarmate de schuldpositie toeneemt wordt de gemeente hier gevoeliger voor. Door het uitgebreide gemeentelijk investeringsprogramma neemt schuldpositie van Leiden toe. Hierdoor neemt de solvabiliteit (dit is het gedeelte van het bezit dat met eigen vermogen is gefinancierd) af. Meerjarig zal de solvabiliteit naar verwachting daarom dalen. Dit maakt de gemeente relatief gevoelig is voor renteschommelingen. Dit kan een risico vormen voor onze financiële stabiliteit. Dit risico wordt voor een deel beheerst doordat we voldoen aan de wettelijke renterisiconorm en kasgeldlimiet (zie paragraaf 2.3.4. financiering). Met deze maatregelen ondersteunt het college de financiële stabiliteit van de gemeente.
De Jaarstukken 2025 sluiten met een voordelig resultaat. Daarnaast laten de Programmabegroting 2026 en het meerjarenbeeld 2027-2029 een sluitend perspectief zien. Dit biedt een goede uitgangspositie voor financiële stabiliteit.
De financiële weerbaarheid heeft betrekking op de middelen en mogelijkheden van de gemeente om incidentele nadelen op te vangen. Hiervoor hanteren we het kengetal van het weerstandsvermogen.
Kengetallen financiële weerbaarheid | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | Norm |
|---|---|---|---|---|---|
A. Weerstandscapaciteit (concernreserve) per 31-12 (in € 1.000) | 20.304 | 27.073 | 51.163 | 39.508 | - |
B. Uitkomst risicosimulatie paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing in € 1.000 | 11.092 | 9.828 | 10.479 | 11.095 | - |
Resterend weerstandsvermogen (A-B) in € 1.000 | 9.212 | 17.245 | 40.684 | 28.413 | Groter |
Weerstandsratio A/B | 1,8 | 2,7 | 4,9 | 2,6 | Groter of gelijk aan 1 |
Eind 2025 heeft de concernreserve een omvang van € 39,5 miljoen. De uitkomst van de risicosimulatie met het risicoprofiel voor 2026 komt uit op € 11,1 miljoen. Hiermee is de beschikbare weerstandscapaciteit eind 2025 toereikend om alle risico's af te dekken. Dit biedt een goede uitgangspositie voor financiële weerbaarheid.
Financiële flexibiliteit heeft betrekking op de middelen en mogelijkheden van de gemeente om structurele nadelen op te vangen. Hiervoor kijken we naar de mate waarin onze schuldpositie de begroting belast, in hoeverre sprake is van een structureel begrotingsevenwicht en naar de relatieve belastingdruk.
Kengetallen financiële weerbaarheid | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | Referentie-waarde/ norm |
|---|---|---|---|---|---|
Nettoschuld als aandeel van de totale baten (netto schuldquote) | 100% | 97% | 108% | 98% | < 100% |
Nettoschuld per inwoner (in €) | 4.681 | 4.990 | 5.379 | 5.662 | - |
Structureel evenwicht (structurele lasten gedekt door structurele baten) | ja | ja | ja | ja | ja |
Belastingcapaciteit | 127% | 136% | 140% | 133% | 100% |
Een hoge schuld zorgt voor relatief hoge rentelasten en afschrijvingen. Deze lasten zijn niet meer te beïnvloeden en verminderen dus de ruimte in de begroting om bij te sturen, bij een noodzaak tot structurele bezuinigingen. Groei van de schuldpositie zorgt er zo voor dat de flexibiliteit van onze begroting afneemt. Twee kengetallen geven inzicht in de relatieve omvang van de Leidse schuldpositie:
De netto schuldquote geeft de verhouding aan tussen de netto schulden en de baten in de begroting. Als de netto schulden stijgen, stijgt de schuldquote en als de baten stijgen daalt de schuldquote. Bij de begroting 2025 verwachtten we een netto schuldquote eind 2025 van 125%. De netto schuldquote eind 2025 komt uiteindelijk uit op 98% (108% in 2024). Dit is lager, voornamelijk doordat de uitgaven (onder andere investeringen) en uitputting van reserves minder snel verlopen dan geprognosticeerd. Door de uitvoering van het huidige investeringsprogramma zal de schuldquote meerjarig wel stijgen. Zie ook paragraaf 2.3.2 weerstandsvermogen en risicobeheersing.
De nettoschuld per inwoner wordt bepaald door de totale netto schuld te delen door het aantal inwoners. De gemeente Leiden had per eind 2025 een netto schuld per inwoner van € 5.662. Dit is een stijging ten opzichte van vorig jaar. Onder invloed van de huidige investeringen zal dit kengetal in de nabije toekomst verder stijgen.
In 2025 lagen de Leidse woonlasten 33% boven het landelijk gemiddelde maar is gezakt tenopzichte van 2024 (40% boven gemiddeld). Hoe hoger de woonlasten, hoe kleiner de politieke ruimte om door het verhogen van inkomsten structurele tegenvallers op te vangen. Op dit moment is sprake van een structureel begrotingsevenwicht. Ook in de toekomst blijft het zaak om het structureel begrotingsevenwicht te bewaken, zodat Leiden ook op de langere termijn in staat blijft om structurele tegenvallers op te vangen.
Achterblijvende investeringen
Planningsoptimisme is het verschijnsel dat de uitgaven voor investeringen later plaatsvinden dan vooraf begroot. Het moment waarop de investeringskredieten daadwerkelijk worden besteed, is in dat geval te optimistisch in de begroting opgenomen. Het gevolg van planningsoptimisme is dat we meer middelen reserveren dan nodig. Doordat geplande uitgaven pas later plaatsvinden dan begroot, heeft de jaarrekening vervolgens een positief resultaat. Ook zijn hierdoor kengetallen over de verwachte ontwikkeling van de gemeentelijke schuldpositie veel negatiever, dan de uiteindelijke realisatie in de jaarrekening. Dit alles vertekent het financiële beeld op basis waarvan de raad besluiten neemt.
Planningsoptimisme is geen uniek Leids probleem. Veel gemeenten zien dat investeringsprojecten in praktijk trager verlopen dan gepland en begroot. Door de grote Leidse investeringsagenda, is het financieel effect wel groter dan bij gemeenten met een minder ambitieus programma. De ‘boeggolf’ aan investeringskredieten leidt jaarlijks tot incidentele meevallers, door lagere kapitaallasten (rente en afschrijving) dan begroot. Het verminderen van planningsoptimisme bij grote projecten heeft dan ook onze aandacht. De aanpak bestaat uit analyses om meer inzicht te krijgen in de oorzaken van planningsoptimisme, het hierop kritisch toetsen van investeringsramingen en -planningen en het bijsturen gedurende de tijd.
Uit een eerste analyse van de realisatiecijfers over 2025 blijkt dat de beheersmaatregelen die in 2022 zijn ingevoerd, hebben geleid tot een structurele verbetering van het realisatiepercentage vanaf dat moment. De realisatie is meer in overeenstemming met de ramingen. Als gevolg van het gestegen realisatiepercentage in de afgelopen jaren is de afslag op de investeringsagenda (het bedrag aan niet gerealiseerde/uitgestelde investeringen waarmee rekening wordt gehouden) vanaf 2025 verlaagd van € 61,5 miljoen naar € 40 miljoen.